Het Atelier voor Psychoanalyse - programma
 
 
 

HET ATELIER VOOR PSYCHOANALYSE – ARGUMENT
“HET VRAAGSTUK VAN DE  ANALYTISCHE POSITIE”

          Ter situering

          Het vraagstuk van de analytische positie beroert elke psychoanalytische vereniging, ongeacht of men deze vraag expliciet op zich neemt of dit net even categoriek weigert. Bij uitbreiding raakt het trouwens elkeen die op één of andere manier met de psychoanalyse bezig is.
         
          Wat het Gezelschap betreft kenmerkten de voorbije jaren zich door een hernieuwd en systematisch zoeken, bevragen én daadwerkelijk beproeven op welke manier deze kwestie binnen onze vereniging aan de orde kan gesteld worden. Met andere woorden: hoe daar rond met anderen aan het werk gaan, voorbij de beslotenheid van de eigen kuur of controle? Dit vraagstuk ontplooit zich in diverse richtingen. Wat brengt iemand er toe deze positie al dan niet in te nemen of te willen innemen? Op welke manier neemt men deze positie concreet in, en wat zijn daarvan de implicaties voor analysant en analyticus? Wat is de plaats in deze kwestie van het verlangen van de analyticus? Is er een mogelijkheid om daar iets over te zeggen, eventueel zelfs te komen tot een oordeel? Wat is in dit alles de rol en het statuut van de “enkele anderen” die Lacan wezenlijk achtte? Wat is daarbij de plaats van de diverse psychoanalytische ‘groepsformaties’: vereniging, kartel, commissie, procedure van de passe, …?

          In onze zoektocht de voorbije jaren fungeerden twee principes als richtinggevend. Ten eerste was het belangrijk om de focus te leggen op het werk zelf rond deze vragen. Anders verwoord: de vraag of men iemand al dan niet de titel van analyticus kon toekennen (en op basis waarvan), was niet onze primaire bekommernis. Het mikpunt betrof veeleer het bewerken zelf van een aantal vragen, met zijn eventuele particuliere effecten. Ten tweede hebben we ervoor gekozen om op een structurele manier appel doen op het externe, het heterogene, … door samen te werken met analytici van andere verenigingen. We wilden ons met andere woorden niet opsluiten in de eigen kleine groep, maar systematisch een Andere echo kansen geven.

          De voorbije jaren werden daartoe een tweetal experimentele procedures werden ontworpen. Vooreerst was er het Atelier voor Psychoanalyse: een groep van leden van het Gezelschap, die zich telkens voor één jaar engageerden, kwamen een aantal avonden samen. Startpunt was een vraag of probleem uit de eigen klinische praktijk. Dit klinisch probleem werd daarbij gekruist met een theoretische tekst, teneinde vanuit die wisselwerking de discussie aan te gaan. Doorheen de discussie in de groep konden fundamentele vraagstukken met betrekking tot de psychoanalyse bewerkt worden, waarbij dit voorbij het niveau van de loutere controle of supervisie werd getild. De formule heeft de voorbije drie jaar op deze manier gewerkt, weze het dat we daar vorig jaar het thema van onze lezingencyclus aan koppelden: “analysant worden?... analyticus worden?...”.

          Daarnaast startten we het voorbije jaar met een nieuw experiment: de interne karteldag – eveneens gecentreerd rond de vraag van de analytische positie en het verlangen van de analyticus. De werkwijze was evenwel anders: er werd gewerkt in kartels, met als plus-un een analyticus van een andere vereniging. Was het als experiment een pure gok, dan bleek achteraf dat het wel degelijk iets heeft beroerd bij de verschillende deelnemers. Er waren bovendien effecten repereerbaar voorbij de bijeenkomst op de dag zelf. Dit riep het verlangen op dat er van die ervaring iets verder zou kunnen bewerkt worden, in het besef evenwel dat het niet kon gaan om een pure herhaling. Een loutere copy zou die eerste ervaring niet alleen onrecht zou aandoen, maar kan ze ook onmogelijk terughalen.

          Ons spoor van de voorbije jaren verder zettend, stelt zich dus andermaal de vraag hoe we deze thema’s verder kunnen opnemen binnen het Gezelschap – op een structurele manier, zonder ons evenwel vast te pinnen op een voor eens en voor altijd ‘gefixeerde’ procedure.

          Een atelier voor psychoanalyse?

          We willen dan ook een nieuw experiment voorstellen voor dit jaar. Praktisch komt het in zekere zin neer op een in elkaar schuiven van de twee initiatieven – hoewel het fundamenteel misschien eerder over een soort ‘verdichting’ gaat, wat de mogelijkheid opent dat dit als metaforische operatie nieuwe effecten creëert.

          Het Atelier voor Psychoanalyse blijft behouden als naamgeving: het benoemt de collegiale ruimte die statutair werd aangewezen als de plek waar de fundamentele vragen met betrekking tot de psychoanalyse in ons Gezelschap bewerkt kunnen worden. Fundamenteler, want indicatie van een verlangen, is bovendien dat het toch reeds enkele jaren op rij zijn spoor trekt.

          Inhoudelijk zouden we het komende jaar de focus expliciet op de vraag van de overdracht willen leggen. Eén van de sprekers van onze voorbije lezingencyclus, de Parijse analytica Sylvie Sesé-Léger, schrijft in haar boek Mémoire d’une passion. Un parcours psychanalytique  dat zich vormen in de psychoanalyse gelijk staat aan zich vormen met en doorheen de overdracht – waarbij ze systematisch de vraag oproept van de noodzakelijke derde (voorbij het kader van de eigen analyse) om deze onontbeerlijke vorming  zijn voortgang te laten kennen. Ze heeft het over “l’intranquillité du transfert”, met andere woorden: “ces mouvements psychiques dans la cure qui sont source d’embarras, mais également d’invention pour le psychanalyste”. Via deze noties en gegrond in haar eigen ervaring benoemt ze wat de grondlegger van de psychoanalyse reeds aanstipte. Zo opent Freud zijn artikel over de overdrachtsliefde met de volgende woorden: “Elke beginner in de psychoanalyse zal aanvankelijk wel beducht zijn voor de moeilijkheden die het duiden van de invallen van een patiënt en de taak om het verdrongene te reproduceren hem zullen bezorgen. Maar spoedig komt het moment dat hij deze moeilijkheden gering acht en in plaats daarvan de overtuiging krijgt dat de enige echt serieuze moeilijkheden zijn aan te treffen bij het hanteren van de overdracht.” (Werken 6, 1915a: 436). De ethiek van de analyticus ten aanzien van de op zich genomen positie is daarbij voor Freud richtinggevend in die hantering van de overdracht – wars van eventuele bemoeilijkende factoren vanwege tegenstanders van de psychoanalyse, vanwege de impulsen van de analysant óf voortkomend uit het eigen innerlijk van de analyticus (Ibidem: 446). Wie echter terdege beseft dat dit werken met de overdracht de centrale as is van de psychoanalyse, én er in zijn vorming en klinisch werk de consequenties van op zich neemt, diegene beschouwt Freud als een clinicus die zijn plek verdient binnen het veld van de psychoanalyse. Dat is althans wat Freud aan Groddeck antwoordt wanneer deze laatste aarzelt om de betekenaar “analyticus” op zich te nemen. Lacan zal enkele decennia later, in zijn Proposition sur le psychanalyste de l’école (1967) op zijn beurt het belang ervan onderstrepen: niet alleen stond de overdracht aan het begin van de analyse, maar via het verondersteld-wetend-subject en de overdrachtsbetekenaar als derde element structureert ze ook elke analyse (Autres écrits: 246 e.v.).

          We willen dan ook de volgende vraag centraal stellen binnen dit Atelier voor Psychoanalyse: op welke manier verscheen de overdracht (t.t.z. werd die expliciet) binnen het analytisch werk met een particulier subject? We nodigen eenieder die zich engageert uit om één bepaald fragment uit het eigen klinisch werk met een analysant of patiënt onder de loep te nemen vanuit deze vraagstelling. Daarop verder bouwend kan de vraag gesteld worden wat er in de hantering van die overdracht door de clinicus de bewerking daarvan mogelijk, noodzakelijk, moeilijk, onmogelijk, … maakte. Het vertrekpunt is dus een klinisch fragment uit de eigen praktijk. Dit neemt niet weg dat de vraag naar de impact van de eigen subjectiviteit evenzeer aan de orde is.

          Concrete organisatie
         
          Voor wat de concrete organisatie betreft nemen we in de eerste plaats een aantal principes van de interne karteldag over.

          We maken er een dag van (dus geen reeks avonden) die (enkel) openstaat voor alle leden van het Gezelschap. De aard van de vraagstelling impliceert wel dat men op één of andere manier werkt in een klinische veld (binnen een instelling, binenn een privépraktijk, …). Voorbij het lidmaatschap en deze impliciete consequentie, is er evenwel geen specifieke titel vereist (als therapeut, analyticus, …) om te kunnen deelnemen. Er worden echter evenmin titels toegekend op het einde van de dag. Andermaal willen we, als gok, mikken op de effecten van het werk zelf – waar men zich op eigen risico in engageert. Het is opnieuw een werkvorm waarbij elke deelnemer ook een eigen bijdrage brengt (met andere woorden: geen ‘toehoorders’ of ‘toeschouwers’). Er wordt gewerkt in een combinatie van kartels en een plenair gedeelte. Voor de kartels doen we opnieuw beroep op analytici van andere verenigingen, als extern punt – een element dat verschillende deelnemers van de interne karteldag overigens als cruciaal aanstipten voor het verloop ervan. Zoals de eerste keer worden de kartels op de dag zelf geloot en samengesteld. In verschil met vorig jaar nodigen we ook een extern analyticus uit om de dag te openen met een aantal bedenkingen over het onderwerp – niet om als een meester te zeggen wat ‘een correcte hantering van de overdracht’ zou zijn, wel met de vraag of deze ‘opening’ zijn weerklank vindt in het kartelwerk (en er aldus effecten genereert). De vraag naar de hantering van de overdracht in actu, als het ware: is er een echo, een weerklank, eventueel een verrassingseffect?

 
Praktisch:
locatie: Geuzenhuis, Kantienberg - Gent
aanvang: 20u30
 

 

 

 
laatst aangepast op 12/02/2015
 
end_page