Atelier voor psychoanalyse - argument en archief (2012-2016)
laatste update 11/10/2016
 

ATELIER VOOR PSYCHOANALYSE
WERKJAAR 2015-2016

Het Unheimliche, het Vreemde, het Andere
Zaterdag 17 september 2016

Situering
Enkele jaren geleden nam het Gezelschap een belangrijke beslissing. In plaats van iemand in een lijst op te nemen of de titel van analyticus toe te kennen, werden dispositieven ontworpen om zo open mogelijke vragen te kunnen stellen over het innemen van de analytische positie. Twee forums om het spreken over die positie te proberen faciliteren, waren het atelier voor psychoanalyse en de interne karteldag. Vorig jaar werden beide initiatieven in elkaar geschoven en ontstond het atelier voor psychoanalyse in de vorm waarin het toen doorging en waarin het ook dit jaar zal doorgaan.
Natuurlijk heeft iedereen die analytisch werkt de verantwoordelijkheid dit werk fundamenteel en blijvend te bevragen. Er zijn ook momenten en ruimten om dat te doen; de eigen analyse, de supervisie, gesprekken die eventueel deel uitmaken van een procedure, zoals de erkenning tot psychoanalytisch psychotherapeut, of zoals een passe.
Naast deze individuele spreekruimten en –momenten, wil het Gezelschap als vereniging echter ook een forum bieden om een dergelijk ondervragend spreken ook collectief een plek te geven. De zoektocht naar zo’n forum heeft de vermelde experimenten van de voorbije jaren opgeleverd. Daaraan willen we dit jaar een vervolg geven in een verdere poging aan het werk te gaan met het vraagstuk van de analytische positie, en dat in de schoot van de vereniging. Voorbij het spreken tegenover een analyticus (in de analyse of de controle) streven we dus naar een uitwisseling tussen leden van onze vereniging.
Om echter niet enkel op onszelf terug te plooien, blijft het principe van heterogeniteit en een link met het externe van de vorige edities behouden. Opnieuw zullen analytici van andere verenigingen ons spreken beluisteren.
Het appel doen op dat heterogene was ook voordien een van de oriënterende principes, naast het idee dat de focus ligt op de effecten dat het spreken op het eigen subject heeft, zonder een of andere vorm van externe Bejahung oferkenning door anderen. Wie al heeft deelgenomen aan de eerste interne karteldag (over het eigen parcours en de analyse die leidden tot het innemen van de analytische positie) of aan het atelier vorig jaar (over het opduiken van de overdracht in de kuur), heeft ervaren hoe het eigen spreken – ook in dit dispositief - een heel particulier effect kan sorteren.
Het is daarop dat de klemtoon ligt, en niet op het toegekend worden van een titel. Dit valt buiten het opzet van het atelier. Tegelijk wordt er ook geen titel vereist om deel te nemen. Het atelier staat open voor alle leden van het Gezelschap die klinisch werken, of zij nu de erkenning van psychoanalytisch therapeut hebben of niet, of zij al jaren werken of pas beginnen, of dat werk in de privépraktijk of de instelling gebeurt, ... Uiteraard wordt iedereen wel gevraagd een eigen bijdrage te leveren en zo actief deel te nemen.
De openingslezing wordt verzorgd door Lut De Rijdt. Na deze 'ouverture' over het Unheimliche, dat dit jaar het werkthema vormt, worden kartels en plus-uns geloot. We beschikken over vier plus-uns uit externe verenigingen: Trees Traversier (Belgische School), Guy Mertens (Questionnement Psychanalytique), Michel Heinis (Association freudienne de Belgique) en Lut De Rijdt. Na het werken in de kartels zijn de plus-uns aan het woord in een plenum en volgt nog een discussie met iedereen.

Dagindeling
Het atelier gaat door in het Geuzenhuis (Kantienberg 9, 9000 Gent) op zaterdag 17 september 2016.
9u00              Onthaal
9u30              Openingslezing door Lut De Rijdt
10u15            Loting van de kartels met hun plus-un
10u30            Werk in kartel (per kartel krijgt iedereen de tijd om zijn eigen bijdrage te brengen, gevolgd door een discussie binnen
het kartel zelf – de concrete invulling kan binnen elk kartel en samen met de plus-un afgesproken worden)
12u00             Lunch
13u00             Werk in kartel (verderzetting)
15u00             Koffiepauze/gedachtewisseling tussen de plus-uns onderling (de plus-uns kunnen zich op dat moment even terug trekken om van gedachten te wisselen over het werk in de kartels en wat dit opriep qua bedenkingen, vragen, verrassingen, …)
15u30             Bedenkingen vanuit de plus-uns (De plus-uns openen met hun bevindingen de discussie met de hele groep)
16u00             Discussie (plenair: bedenkingen en discussie op basis van het geleverde werk in de kartels, de openingslezing, …)
17u00             Afsluiting

Inhoudelijk thema
Of men nu de eerste stappen in de kliniek zet, of men vele jaren de stof van zijn anayticuszetel versleten heeft, blijft men niet gespaard van ontmoetingen met een patiënt die iets Unheimlichs in zich oproepen. Werken met en in de overdracht, of het nu in een instelling of in een ambulante praktijk is, gaat samen met momenten of periodes dat iets vreemds, iets anders in de patiënt ons zo treft dat het onbehagen, huivering, angst, teweeg brengt.
Het interessante aan het concept van het Unheimliche is zijn onvertaalbaarheid, maar ook zijn uitgesproken dubbelzinnigheid. Zo kan het verschijnen bij iets wat ons ogenschijnlijk onvertrouwd en beangstigend voorkomt, maar raakt het evenzeer aan iets intiems in ons dat het daglicht niet mag zien. In het Unheimliche dat ons vanuit de waanzin kan tegemoet komen bijvoorbeeld, stelt Freud dat men “geconfronteerd wordt met de manifestatie van krachten die men in zijn medemens niet heeft vermoed, maar waarvan men de impuls vaaglijk in verre uithoeken van zijn eigen persoonlijkheid kan bespeuren.” Het komt dikwijls op in het ontmoeten van ‘onze dubbele’, als een narcistisch object dat ons confronteert met- of getuigt van onze narcistische kwetsbaarheid. Het gaat gepaard met een psychische toestand waarin  het ik balanceert tussen perceptie en niet-waarneming, tussen rekening houden met het oordeel van de realiteit of ze ontkennen, tussen levend of inert (dood).
Hoe kunnen we die manifestatie van de rest van het onmogelijke reële van het onbewuste in ons laten werken en eventueel de bron laten zijn van iets nieuws, terwijl het iets is wat altijd aan ons zal blijven ontsnappen?
Indien we in de kliniek aan het werk zijn, dienen we ons bloot te stellen aan de ervaring van het onbewuste en blijven we dus in die zin kwetsbaar. Oog in oog of oor in oor met het vreemde in de ander kunnen we ons eigen vreemdheid herontdekken en kan ze een bron van creativiteit worden.
Ieder die zich dit jaar voor het atelier inschrijft, wordt uitgenodigd om te spreken over het opkomen van een Unheimlich gevoel in zijn/haar werk in de kliniek of over de confrontatie met het ‘radicale’ andere in het werken met patiënten. Hoe heeft dit eventueel het werken bemoeilijkt? Welke vertakkingen zijn er naar de eigen subjectiviteit? Zette deze confrontatie iets in beweging? Kon het eventueel uitmonden in iets van de orde van de creativiteit, iets nieuws, …, of bleef het eerder in het register van iets wat bleef ontsnappen?

Uitnodiging
Alle leden van het Gezelschap zijn van harte uitgenodigd voor het Atelier voor psychoanalyse, editie 2016. Zoals aangegeven is de enige vereiste daarvoor dat men zich waagt in het spreken over het eigen klinisch werk, en dus over zichzelf. Dit is, zoals elk spreken, niet zonder risico’s, maar wel zonder garanties. Zoals elk echt spreken kan het echter onverwachte en belangrijke effecten hebben, en dit zowel op het niveau van het eigen subject, als op het niveau van onze vereniging. Hopelijk ontmoeten we elkaar op het atelier.

Deelnemers

- - - -

ATELIER VOOR PSYCHOANALYSE
WERKJAAR 2014-2015

Het is ons inziens voor elke psychoanalytische vereniging cruciaal om telkens opnieuw een dispositief te creëren dat een ondervraging toelaat van de analyticus, diens verlangen en diens positie – voorbij de eigen kuur of de controle. Het Gezelschap wil, in het spoor van Lacans niet aflatende bevraging, op dit punt deze uitdaging aangaan en de zoektocht verder zetten.  Momenteel vindt dit zijn concrete vorm in het Atelier voor Psychoanalyse.
Hieronder worden de leden van het Gezelschap, die zich voor het werkjaar 2014-2015 voor dit Atelier engageerden, vermeld. Daarna wordt de concrete vormgeving van de huidige formule beschreven. Het inhoudelijke argument is te vinden onder de aparte hoofding Atelier voor Psychoanalyse.

Deelnemers
De volgende leden van het GPP engageren zich dit werkjaar om binnen het Atelier voor Psychoanalyse de analytische positie te ondervragen: Sara Bergmans, Herbert Beuseling, Hilde Coppens, Bert De Meulder, Hilde Descamps, Wim Galle, Pat Jacops, Dries Roelandts, David Schrans, Els Therssen, Leen Van de Steene, Frederik Vandriessche, Jean-Pierre Van Eeckhout en Dennis Vermeesch.
De volgende analytici, lid van andere psychoanalytische verenigingen, engageerden zich om als plus-uns het werk van de deelnemers te beluisteren: Jean Florence (BSP), Mileen Janssen (BSP), Anne Joos (AFB), Guy Mertens (Questionnement Psychanalytique).

Dagverloop
9u00              Onthaal
9u30              Openingslezing door Jean Florence (Belgische School voor Psychoanalyse)
                      (ten aanzien van de hele groep deelnemers)
10u15            Loting van de kartels met hun plus-un
10u30            Werk in kartel (per kartel krijgt iedereen de tijd om zijn eigen bijdrage te brengen, gevolgd door een discussie binnen
het kartel zelf – de concrete invulling kan binnen elk kartel en samen met de plus-un afgesproken worden)
12u00             Lunch
13u00             Werk in kartel (verderzetting)
15u00             Koffiepauze/gedachtewisseling tussen de plus-uns onderling (de plus-uns kunnen zich op dat moment even terug trekken om van gedachten te wisselen over het werk in de kartels en wat dit opriep qua bedenkingen, vragen, verrassingen, …)
15u30             Bedenkingen vanuit de plus-uns (De plus-uns openen met hun bevindingen de discussie met de hele groep)
16u00             Discussie (plenair: bedenkingen en discussie op basis van het geleverde werk in de kartels, de openingslezing, …)
17u00             Afsluiting

- - - -

ATELIER VOOR PSYCHOANALYSE
WERKJAAR 2013-2014

Uitnodiging om te passeren via een act
Zaterdag 26 april 2014

Het Gezelschap heeft, als psychoanalytische vereniging, doorheen haar geschiedenis diverse procedures ontwikkeld die alle op één of andere manier wilden beproeven hoe een subject er, op zijn of haar parcours, toe komt zich te verhouden tot de positie van analyticus en die eventueel in te nemen. Ze vertrekt daarbij vanuit het volle besef dat de erkenning van een analyticus in wezen een onmogelijke aangelegenheid is en bovendien slechts kan opgevat worden als een constant 'worden'.
Tijdens het werkjaar 2013-2014 neemt het Gezelschap voor Psychoanalyse en Psychotherapie het vraagstuk van de passe, van de overgang van analysant naar het 'op zich nemen' van de analytische positie, als centraal verknopingspunt. Hieruit onstond ook de interne carteldag die hieronder wordt toegelicht
Het is in het volle besef van de paradox dat we voor deze titel kozen. Immers: uitnodiging en act staan diametraal tegenover elkaar. Een act laat zich niet uitnodigen, maar vindt plaats … of niet. Toch willen we er de notie van uitnodiging aan koppelen, als uiting van een subjectief verlangen dat er in het Gezelschap een ruimte kan zijn voor die act. Het meest enigmatische is overigens de notie van passage: van waar naar waar? Wat gebeurt er daar precies? Van waar de zekerheid dat er een act is of zou kunnen zijn? Heel wat vragen dus, maar wat was de aanleiding en de inzet?
Voor eenieder die zich in het klinisch werk refereert naar de psychoanalyse duikt vroeg of laat de vraag op hoe men zich verhoudt tot de positie van analyticus. Wil men die positie innemen en zo ja waarom? Op grond waarvan neemt men die positie in? Op welke manier is dat “verlangen van de analyticus” gegroeid, gekleurd, veranderd door het werk in de eigen analyse – of eventueel weggevallen? In ieder geval: om iets meer te weten over die overgang van divan naar zetel, zoals men dat wel eens pleegt te omschrijven, ontwierp Lacan de procedure van de passe. Het is een procedure die vele vragen oproept, maar minstens ook tot de vaststelling leidt dat Lacan het noodzakelijk achtte om een dispositief te fabriceren dat niet samenviel met de eigenlijke analyse. Het stond er buiten, en had vandaar ook een bepaalde verhouding met de psychoanalytische vereniging als dusdanig. Vorig jaar hebben we hier trouwens een herneming gehoord via een hedendaags experiment: la passe en réseau.
Men kan zich ook op dit punt veel vragen stellen over de pertinentie van zo’n procedure als de passe, de mogelijke voordelen en de onvermijdelijke impasses, maar dit neemt niet weg dat elke psychoanalytische vereniging die naam waardig op haar manier zoekt welk dispositief ze kan hanteren om iets van deze overgang naar de analytische positie te toetsen, ondervragen, eventueel bevestigen of uit te puren, … Ook binnen het Gezelschap zijn er in het verleden procedures geweest, die zich op één of andere manier in deze zoektocht inschakelden. Bovendien kunnen we ons niet voorstellen dat die ondervraging niet blijvend aanwezig is voor wie als analyticus werkzaam is: het is dus geen kwestie van “één keer en dan is het voor altijd in orde”.
Recent nemen we binnen het Gezelschap de draad van deze zoektocht weer op, op verschillende niveau’s: Atelier voor Psychoanalyse, lezingencyclus, maar ook een zogenaamde Interne carteldag. We willen immers ook een dispositief creëren dat meer ruimte laat voor de particuliere subjectiviteit, in zijn intimiteit, dan wat een publieke lezing toelaat – een ruimte waar er in het spreken een verknoping kan zijn tussen klinische ervaring, theoretische achtergrond en vooral intieme subjectieve analytische ervaring – zonder dat zich dat sluit in eenzelfde cirkel. Om dit laatste te vermijden doen we bovendien ook beroep op analytici van andere verenigingen, die als plus-uns van de kartels zullen fungeren.
De notie van ‘passage’ impliceert ook dat we mikken op een beweging die naar de toekomst is gericht. Het is geen ‘examen’, geen oordeel over een afgelegde weg. We nemen het risico, om zo te zeggen, dat deelname aan deze dag een effect kan hebben op het analytisch parcours nadien, dat het iets opent in het verder werken. In die zin is het geen moment van titels of benoeming: er worden geen titels vereist om te mogen deelnemen én er worden er ook geen verleend achteraf – noch deze van psychotherapeut, noch deze van analyticus. Men neemt deel op eigen risico, op basis van het eigen verlangen. En men plukt daar eventueel de eigen vruchten van!
Hoe zal deze ‘werkdag’ concreet verlopen? In de eerste plaats is het cruciaal dat het om een werkdag gaat. Met andere woorden: er zijn geen ‘toeschouwers’, wie komt, neemt ook actief deel. De werkdag richt zich wel enkel naar de leden van het Gezelschap. We grijpen daarvoor terug naar concept van het kartel – naast de passe een ander basisexperiment van Lacan.
’s Morgens worden er onder de deelnemers kartels van vier personen geloot, kartels die enkel die dag bestaan. Elk kartel krijgt een plus-un toegewezen: een analyticus van een andere psychoanalytische vereniging. Vervolgens gaat elk kartel apart aan het werk: elke deelnemer brengt ten aanzien van zijn kartel een getuigenis/bewerking van zijn of haar verhouding tot de positie van analyticus, diens verlangen en/of diens act. De concrete invulling van deze bewerkte getuigenis behoort natuurlijk tot de vrijheid (en verantwoordelijkheid) van elk particulier subject dat zich hierin engageert. Het kartel gaat daarover, samen met de plus-un, onderling in discussie. Men heeft de hele voormiddag de tijd om in de beslotenheid van het eigen kartel te spreken.
In de namiddag volgt een plenaire bijeenkomst. Eerst komen de verschillende plus-uns aan het woord om te getuigen over wat ze hebben gehoord, en daar eventuele vragen of bedenkingen aan te koppelen. Vervolgens is er de mogelijkheid om met de hele groep verder van gedachten te wisselen en het werk op die manier verder te zetten.
Dit is de minimale structuur die we willen voorop stellen om een analytische ondervraging mogelijk te maken binnen het Gezelschap als groep, evenals de particuliere effecten op elke deelnemer apart.  Vermits het een experiment betreft, waarbij we ons willen laten verrassen door de effecten, leek het ons niet raadzaam om de invulling daarvan veel meer te concretiseren: elk kan voor zichzelf beslissen of hij deze gok aangaat én in welke richting hij of zij dit wil uitwerken – wetende dat het eigene van de psychoanalyse niet zit in een rechtlijnig, op voorhand uitgestippeld, parcours ligt. We kunnen ons evenwel laten verrassen … (W.G.)

Deelnemers: Herbert Beuseling, Sara Bergmans, Hilde Coppens, Jurgen Declerq, Wim Galle, Seppe Jacobs, Pat Jacops, Daniëlla Provost, Dries Roelandts, Elke Roose, Els Therssen, Leen Van de Steene, Frederik Van Driessche, Ellen Verhoeven, Dennis Vermeesch
De 'externe' plus-uns: Mileen Janssen (BSP - Belgische School voor Psychoanalyse), Anne Joos (AFB - Association Freudienne de Belgique), Pierre Smet (Acte Psychanalytique)

- - - -

HET ATELIER VOOR PSYCHOANALYSE – ARGUMENT
“HET VRAAGSTUK VAN DE  ANALYTISCHE POSITIE”

Ter situering
Het vraagstuk van de analytische positie beroert elke psychoanalytische vereniging, ongeacht of men deze vraag expliciet op zich neemt of dit net even categoriek weigert. Bij uitbreiding raakt het trouwens elkeen die op één of andere manier met de psychoanalyse bezig is.
         
Wat het Gezelschap betreft kenmerkten de voorbije jaren zich door een hernieuwd en systematisch zoeken, bevragen én daadwerkelijk beproeven op welke manier deze kwestie binnen onze vereniging aan de orde kan gesteld worden. Met andere woorden: hoe daar rond met anderen aan het werk gaan, voorbij de beslotenheid van de eigen kuur of controle? Dit vraagstuk ontplooit zich in diverse richtingen. Wat brengt iemand er toe deze positie al dan niet in te nemen of te willen innemen? Op welke manier neemt men deze positie concreet in, en wat zijn daarvan de implicaties voor analysant en analyticus? Wat is de plaats in deze kwestie van het verlangen van de analyticus? Is er een mogelijkheid om daar iets over te zeggen, eventueel zelfs te komen tot een oordeel? Wat is in dit alles de rol en het statuut van de “enkele anderen” die Lacan wezenlijk achtte? Wat is daarbij de plaats van de diverse psychoanalytische ‘groepsformaties’: vereniging, kartel, commissie, procedure van de passe, …?

In onze zoektocht de voorbije jaren fungeerden twee principes als richtinggevend. Ten eerste was het belangrijk om de focus te leggen op het werk zelf rond deze vragen. Anders verwoord: de vraag of men iemand al dan niet de titel van analyticus kon toekennen (en op basis waarvan), was niet onze primaire bekommernis. Het mikpunt betrof veeleer het bewerken zelf van een aantal vragen, met zijn eventuele particuliere effecten. Ten tweede hebben we ervoor gekozen om op een structurele manier appel doen op het externe, het heterogene, … door samen te werken met analytici van andere verenigingen. We wilden ons met andere woorden niet opsluiten in de eigen kleine groep, maar systematisch een Andere echo kansen geven.

De voorbije jaren werden daartoe een tweetal experimentele procedures werden ontworpen. Vooreerst was er het Atelier voor Psychoanalyse: een groep van leden van het Gezelschap, die zich telkens voor één jaar engageerden, kwamen een aantal avonden samen. Startpunt was een vraag of probleem uit de eigen klinische praktijk. Dit klinisch probleem werd daarbij gekruist met een theoretische tekst, teneinde vanuit die wisselwerking de discussie aan te gaan. Doorheen de discussie in de groep konden fundamentele vraagstukken met betrekking tot de psychoanalyse bewerkt worden, waarbij dit voorbij het niveau van de loutere controle of supervisie werd getild. De formule heeft de voorbije drie jaar op deze manier gewerkt, weze het dat we daar vorig jaar het thema van onze lezingencyclus aan koppelden: “analysant worden?... analyticus worden?...”.

Daarnaast startten we het voorbije jaar met een nieuw experiment: de interne karteldag – eveneens gecentreerd rond de vraag van de analytische positie en het verlangen van de analyticus. De werkwijze was evenwel anders: er werd gewerkt in kartels, met als plus-un een analyticus van een andere vereniging. Was het als experiment een pure gok, dan bleek achteraf dat het wel degelijk iets heeft beroerd bij de verschillende deelnemers. Er waren bovendien effecten repereerbaar voorbij de bijeenkomst op de dag zelf. Dit riep het verlangen op dat er van die ervaring iets verder zou kunnen bewerkt worden, in het besef evenwel dat het niet kon gaan om een pure herhaling. Een loutere copy zou die eerste ervaring niet alleen onrecht zou aandoen, maar kan ze ook onmogelijk terughalen.

Ons spoor van de voorbije jaren verder zettend, stelt zich dus andermaal de vraag hoe we deze thema’s verder kunnen opnemen binnen het Gezelschap – op een structurele manier, zonder ons evenwel vast te pinnen op een voor eens en voor altijd ‘gefixeerde’ procedure.

Een atelier voor psychoanalyse?

We willen dan ook een nieuw experiment voorstellen voor dit jaar. Praktisch komt het in zekere zin neer op een in elkaar schuiven van de twee initiatieven – hoewel het fundamenteel misschien eerder over een soort ‘verdichting’ gaat, wat de mogelijkheid opent dat dit als metaforische operatie nieuwe effecten creëert.

Het Atelier voor Psychoanalyse blijft behouden als naamgeving: het benoemt de collegiale ruimte die statutair werd aangewezen als de plek waar de fundamentele vragen met betrekking tot de psychoanalyse in ons Gezelschap bewerkt kunnen worden. Fundamenteler, want indicatie van een verlangen, is bovendien dat het toch reeds enkele jaren op rij zijn spoor trekt.

Inhoudelijk zouden we het komende jaar de focus expliciet op de vraag van de overdracht willen leggen. Eén van de sprekers van onze voorbije lezingencyclus, de Parijse analytica Sylvie Sesé-Léger, schrijft in haar boek Mémoire d’une passion. Un parcours psychanalytique  dat zich vormen in de psychoanalyse gelijk staat aan zich vormen met en doorheen de overdracht – waarbij ze systematisch de vraag oproept van de noodzakelijke derde (voorbij het kader van de eigen analyse) om deze onontbeerlijke vorming  zijn voortgang te laten kennen. Ze heeft het over “l’intranquillité du transfert”, met andere woorden: “ces mouvements psychiques dans la cure qui sont source d’embarras, mais également d’invention pour le psychanalyste”. Via deze noties en gegrond in haar eigen ervaring benoemt ze wat de grondlegger van de psychoanalyse reeds aanstipte. Zo opent Freud zijn artikel over de overdrachtsliefde met de volgende woorden: “Elke beginner in de psychoanalyse zal aanvankelijk wel beducht zijn voor de moeilijkheden die het duiden van de invallen van een patiënt en de taak om het verdrongene te reproduceren hem zullen bezorgen. Maar spoedig komt het moment dat hij deze moeilijkheden gering acht en in plaats daarvan de overtuiging krijgt dat de enige echt serieuze moeilijkheden zijn aan te treffen bij het hanteren van de overdracht.” (Werken 6, 1915a: 436). De ethiek van de analyticus ten aanzien van de op zich genomen positie is daarbij voor Freud richtinggevend in die hantering van de overdracht – wars van eventuele bemoeilijkende factoren vanwege tegenstanders van de psychoanalyse, vanwege de impulsen van de analysant óf voortkomend uit het eigen innerlijk van de analyticus (Ibidem: 446). Wie echter terdege beseft dat dit werken met de overdracht de centrale as is van de psychoanalyse, én er in zijn vorming en klinisch werk de consequenties van op zich neemt, diegene beschouwt Freud als een clinicus die zijn plek verdient binnen het veld van de psychoanalyse. Dat is althans wat Freud aan Groddeck antwoordt wanneer deze laatste aarzelt om de betekenaar “analyticus” op zich te nemen. Lacan zal enkele decennia later, in zijn Proposition sur le psychanalyste de l’école (1967) op zijn beurt het belang ervan onderstrepen: niet alleen stond de overdracht aan het begin van de analyse, maar via het verondersteld-wetend-subject en de overdrachtsbetekenaar als derde element structureert ze ook elke analyse (Autres écrits: 246 e.v.).

We willen dan ook de volgende vraag centraal stellen binnen dit Atelier voor Psychoanalyse: op welke manier verscheen de overdracht (t.t.z. werd die expliciet) binnen het analytisch werk met een particulier subject? We nodigen eenieder die zich engageert uit om één bepaald fragment uit het eigen klinisch werk met een analysant of patiënt onder de loep te nemen vanuit deze vraagstelling. Daarop verder bouwend kan de vraag gesteld worden wat er in de hantering van die overdracht door de clinicus de bewerking daarvan mogelijk, noodzakelijk, moeilijk, onmogelijk, … maakte. Het vertrekpunt is dus een klinisch fragment uit de eigen praktijk. Dit neemt niet weg dat de vraag naar de impact van de eigen subjectiviteit evenzeer aan de orde is.

Concrete organisatie
         
Voor wat de concrete organisatie betreft nemen we in de eerste plaats een aantal principes van de interne karteldag over.
We maken er een dag van (dus geen reeks avonden) die (enkel) openstaat voor alle leden van het Gezelschap. De aard van de vraagstelling impliceert wel dat men op één of andere manier werkt in een klinische veld (binnen een instelling, binenn een privépraktijk, …). Voorbij het lidmaatschap en deze impliciete consequentie, is er evenwel geen specifieke titel vereist (als therapeut, analyticus, …) om te kunnen deelnemen. Er worden echter evenmin titels toegekend op het einde van de dag. Andermaal willen we, als gok, mikken op de effecten van het werk zelf – waar men zich op eigen risico in engageert. Het is opnieuw een werkvorm waarbij elke deelnemer ook een eigen bijdrage brengt (met andere woorden: geen ‘toehoorders’ of ‘toeschouwers’). Er wordt gewerkt in een combinatie van kartels en een plenair gedeelte. Voor de kartels doen we opnieuw beroep op analytici van andere verenigingen, als extern punt – een element dat verschillende deelnemers van de interne karteldag overigens als cruciaal aanstipten voor het verloop ervan. Zoals de eerste keer worden de kartels op de dag zelf geloot en samengesteld. In verschil met vorig jaar nodigen we ook een extern analyticus uit om de dag te openen met een aantal bedenkingen over het onderwerp – niet om als een meester te zeggen wat ‘een correcte hantering van de overdracht’ zou zijn, wel met de vraag of deze ‘opening’ zijn weerklank vindt in het kartelwerk (en er aldus effecten genereert). De vraag naar de hantering van de overdracht in actu, als het ware: is er een echo, een weerklank, eventueel een verrassingseffect?

- - - -

ATELIER VOOR PSYCHOANALYSE
WERKJAAR 2012-2013

woensdag 21 november 2012: Leen Van de Steene, "Over de stilte en de muziek als antwoord"
woensdag 23 januari 2013: Els Therssen, "Preliminaire gesprekken"
woensdag 20 februari 2013: Wouter Mareels
woensdag 20 maart 2013: Dimitri Van Puymbroeck
woensdag 24 april 2013: Jurgen Declerq
woensdag 29 mei 2013: Frederik Van Driessche

locatie: Geuzenhuis, Kantienberg - Gent
aanvang: telkens om 20u30

- - - -

 
     
 
end_page