Hier volgt hier een poging tot een blik op de “prehistorie “ van het Gezelschap voor Psychoanalyse en Psychotherapie, dat wettelijk pas omstreeks mei 1990 gesticht werd.

Voor de eerste aanloop van zijn voorlopers moeten we terugkeren tot 1978.

Julien Quackelbeen gaf les in onze faculteit sinds 1971, en heeft wellicht omstreeks 1972-73 thuis een psychoanalysepraktijk opgestart, gedeeltelijk bevolkt door zijn (ex-)studenten. Voor sommigen van zijn studenten was een analytisch oor meer dan welkom.

Zijn “studentenopvang” op de universiteit was vermoedelijk uniek. Sommige studenten waren wellicht nog nooit echt beluisterd. Voor andere professoren moest je de leerstof kennen; hoe je (over)leefde als mens deed er helemaal niet toe. Julien nam de tijd om hen uit te nodigen en – gratis- te beluisteren, gedurende enkele gesprekken.  Misschien was dit niet helemaal zonder voorbedachte rade, dat ze hem, indien nodig, later als analyticus zouden terugvinden.; wat ook zo verliep. Waarom zou je elders “hulp zoeken”, als je al “aan den lijve” ervaren had wat het kan betekenen echt beluisterd te worden?

Ook de reeds oudere analyticus Jacques Schotte  had een privé-analysepraktijk te Gent; bij hem waren o.a. Julien Quackelbeen, Hubert Van Hoorde, Paul Verhaeghe… terecht gekomen. Voor Jacques Schotte was er in Gent nog een analyticus, Prof. De Busschere, waarover Julien ooit geschreven heeft. Naar verluidt gaf Prof. Schotte schitterend les  over psychoanalyse aan de U.C.L., en hij nodigde zelfs Lacan uit te Leuven in het begin van de jaren 70 (of in 1968, wie weet ?). Maar Jacques Schotte gaf in Gent geen theoretische kennis over de psychoanalyse door, zijn praktijk was privé.

Tot het begin van de zeventiger jaren was de Universiteit Gent in klinisch-psychologisch opzicht een woestijn. Na de beloftevolle inleiding in de eerste kandidatuur via de “Dieptepsychologie” van Prof. Dr. P. Ghijsbrecht bleven we als toekomstige klinische psychologen in de kou staan. Prof. Lubbers, bijna op emeritaat, poogde ons nog een en ander over Carl Rogers bij te brengen: een mager dieet.

Omstreeks 1970 keerde Julien Quackelbeen terug uit Zaïre, om ons in tweede licentie in groepjes te laten werken over bijvoorbeeld belangrijke figuren uit de psychoanalytische geschiedenis. Toen was zijn vakgroep, toen nog het “Laboratorium voor Klinische en Raadplegingspsychologie” (zo ik me niet vergis) nog gehuisvest in een statig huis op de Coupure Rechts. Toen leerden we reeds zijn luisterend oor kennen.

Geen wonder dat sommigen van de studenten die hij in zijn studentenopvang ontmoette later ook naar zijn lezingen en psychotherapiegroepen kwamen, en bij hem aan hun analysekuur begonnen te werken. De psychotherapiegroepen waren samenkomsten van enkele analysanten van Julien, en eventuele anderen die zich er  ook voor interesseerden.  Het betreft een reeks samenkomsten van een groepje van  acht tot twaalf deelnemers die gedurende enkele jaren een vijftal keren per jaar een gans weekend in een huis samen kwamen, om met elkaar te spreken. Dat was een experiment rond het psychoanalytisch spreken in groep, waarbij we er ons toe bereid verklaarden – uiteraard met de afspraak van discretie – in groep uit te spreken wat in onze gedachten opkwam. Dat waren bijzonder ervaringen die hun effecten hebben gehad: meer dan de helft van de deelnemers zijn nu nog altijd werkzaam in het veld van de psychoanalyse.

Bij  het begin van het  academiejaar 1979-1980 nodigde hij zijn assistenten van de vakgroep en enkele analysanten (o.a. deelnemers uit de therapiegroep) uit om samen ook teksten van Freud te lezen en te bespreken. Dit werd de eerste voorloper van het Gezelschap, maar ook van het Postgraduaat psychoanalyse aan de universiteit te Gent! Met zowat een dozijn geïnteresseerden lazen we samen de “Massapsychologie” van S. Freud, en kwamen op donderdagavond bijeen voor de bespreking. Naast Julien Quackelbeen vonden we in dit groepje: Paul Verhaeghe, Jean-Pierre Van Eeckhout, Daniël Devreese, Walter Platteau, Marcel Van Lerberghe, Huguette Lenssens, Dominique Vanderwegen, Lieva Van de Vijver, Jef Vincent, Olivier Neirynck  en Huguette Raes.

Gedurende de volgende jaren verhuisde de vakgroep van de Coupure Rechts naar het gloednieuwe gebouw aan de H. Dunantlaan, naar de officiële gebouwen van de Faculteit van de Psychologische en Pedagogische Wetenschappen. Het werkgroepje, dat toen – al dan niet officieel – als een postgraduaat beschouwd werd, vond daar ook zijn onderkomen in de lokalen van de vakgroep. Pas in 1990 zou het Gezelschap voor Psychoanalyse en Psychotherapie officieel gesticht worden, waarvan de leden nadien ook als leden van de E.E.P. erkend werden..

Intussen groeide dat analytisch werkgroepje flink aan. De nieuwe leden waren o.a. Pat Jacops, Hubert Van Hoorde,  Filip Geerardyn, Robert Flamant, Lieve Billiet, Luc Vander Vennet, Lieven Jonckheere, en  Leen Van Der Schueren. In 1991 waren er reeds 57 leden.

In de tachtiger jaren kende onze “postgraduaat”-werkgroep een vreedzame bloeiperiode.  Een van  de belangrijke kenmerken was dat het toegankelijk was voor iedereen, ongeacht de vooropleiding. Ook dat was voor Julien een consequente houding ten opzichte van het onderwijs in de  psychoanalyse, deze die Freud de lekenanalyse noemde: niet het diploma, maar wel de eigen opleiding, de langdurige permanente vorming is van belang. Op enkele jaren tijd groeide het postgraduaat uit tot een ontmoetingsplaats  voor iedereen die in de psychoanalyse geïnteresseerd was. Zoals indertijd bij Freud, werden elke woensdagavond  lezingen georganiseerd, waar clinici kwamen getuigen over hun werk, tegenover een vijftigtal aanwezigen, waaronder niet alleen psychologen, maar ook filosofen, historici, germanisten, tot zelfs wiskundigen en ingenieurs.

Ook de werking in cartels werd opgestart: elk cartel telde vier leden, met een Plus-Un om de werking in ’t oog te houden.  Gedurende het eerste jaar werkten alle cartels over “Les quatre concepts”, (Sém XI) van Lacan. De bedoeling was dat  elk cartellid na 1 tot 2 jaar werken tot een product zou komen, onder vorm van een artikel of een lezing. Men kon zich derhalve niet verschuilen achter het werk van de  anderen. Eenmaal per jaar worden deze producten voorgebracht op de Intercarteldag, nog steeds een feestelijke afsluiting van het werkjaar.

Daar Julien Quackelbeen, Hubert Van  Hoorde, Lieva Van de Vijver en Paul Verhaeghe oorspronkelijk reeds leden van de Belgische School voor Psychoanalyse waren, namen zij op zeker ogenblik contact met de E.C.F. te Brussel (een kleinere broer van de Ecole de la Cause Freudienne , gesticht door J. Lacan te Parijs). Hubert Van Hoorde speelde zeker een belangrijke rol in de bemiddeling van de contacten. We gingen af en seminaries en lezingen bijwonen te  Brussel, en we bezochten vrolijk de “Journées d’Automne” van de E.C.F. te Parijs. Er werden min of meer tweetalige congressen georganiseerd in Gent, Luik, Brussel en Brugge, samen met de E.C.F. – Belgique.

Na deze periode van voorbeeldige samenwerking, ondanks de taalverschillen, groeide geleidelijk de nood om ons in Vlaanderen als een afzonderlijke Nederlandstalige groep te verenigen, misschien niet geheel los van de toenemende onenigheden tussen de E.C.F. te Brussel en te Parijs. De E.C.F. van Brussel en Wallonïe werd omstreeks 1993 de A.C.F. (Association de la Cause freudienne) de Belgique gedoopt. Deze staat enigszins losser tegenover de E.C.F. te Parijs.

Dit alles had ertoe geleid dat Julien Quackelbeen, samen met de reeds erkende analytici en nog enkele andere leden, besloten met zeven officieel het Gezelschap voor Psychoanalyse en Psychotherapie te stichten, als een vereniging met officiële statuten, d.w.z. publicatie in  het Staatsblad, met vermelding van hun verschillende functies, zoals voorzitter, directeur,  secretaris, penningmeester… De geboorte van ons Gezelschap voor Psychoanalyse en Psychotherapie mag in mei 1990 gevierd worden. Naast de gewone leden telde het G.P.P. ook een aantal erkende psychoanalytische psychotherapeuten, en een beperkt aantal praktijkvoerende analytici (de latere werkgroep analytici).Naast de officiële Raad van Beheer was er een praktische Raad van Bestuur, en een aantal commissies rond verschillende thema’s, zoals o.a. vorming, belendende velden (bijv. psychoanalytische psychotherapie…)

*

Toemaatje:

Een stukje geschiedenis

 

            De eerste jaren bleven de contacten nog intens, bijv. wat betreft het bijwonen en geven van seminaries in beide landstalen en gewesten.  Reeds in de tachtiger jaren gingen er geregeld groepjes enthousiaste Vlamingen naar o.a. het boeiende seminarie van Serge André te Brussel, en velen woonden ook de zaterdagnamiddaglezingen van de E.C.F. (de latere A.C.F.) te Brussel bij.

Terwijl het Gezelschap zich verder ontplooide – zij het met ups en downs – was in Gent ook een Nederlandstalige psychoanalytische vereniging ontstaan, nauwer in verbinding en samenwerking met de A.C.F. en de E.C.F., nl. The New Lacanian School ( ook wel De Kring genoemd), in zekere zin in concurrentie met het Gezelschap, waarin voor het onderricht in de psychoanalyse vaker sprekers uit Brussel of Parijs uitgenodigd werden.

Binnen de wettelijke statuten van het Gezelschap was inmiddels als afzonderlijk instituut het Vormingsinstituut opgericht, met de bedoeling het onderwijs in de psychanalyse te voorzien, op een grondiger niveau dan in de vakgroep psychoanalyse aan de UG. gebeurde. Het Vormingsinstituut biedt ieder academiejaar een programma van een aantal seminaries aan, bijv. aan één of twee zittingen per maand, die pogen de basistheorie en eventuele toegepaste velden van de psychoanalyse  aan te reiken aan degenen die zich verder theoretisch wensen te bekwamen. De seminaries worden, in principe, gedragen door twee verantwoordelijken, die meestal ook hun seminarie illustreren met klinische ervaringen, bijv. casusfragmenten. Een seminarie is bedoeld om zich over één academiejaar uit tet strekken, maar kan eventueel langer duren. De “studenten” die meestal reeds een eigen praktijk voeren of zich erop voorbereiden, kunnen zich aan dit Vormingsinstituut jaarlijks voor één of een paar seminaries inschrijven, of een volledige inschrijving nemen. Er worden ook persoonlijke “papers” verwacht. Tenslotte kan hun werk, indien voldoende, met getuigschriften bekroond worden.

Inmiddels hebben vele leden van het eerste uur en de aanlooptijd het Gezelschap verlaten. Zoals in  talrijke verenigingen kenmerkt de geschiedenis van het Gezelschap zich door onenigheden , die – indien onoplosbaar –  scheuren en ontslagen tot gevolg hadden.

Gedurende de A.V. van het Gezelschap in oktober 2000 ontstond een definitieve breuk met  de N.L.S. Er kwamen verschillende kritieken van leden van het    Gezelschap, niet alleen in verband met de cotisaties (de E.E.P. eiste in ruil voor het lidmaatschap per lid een vierde van het lidgeld), maar ook omdat de “Passe” niet in het Nederlands kon, en de erkenningen van Nederlandstalige leden door de E.E.P. bleven aanslepen. Een uitval van Julien op het Congres over Psychotherapie leidde tot een werkdag in Gent over het belang van de school. Door de onenigheid met een vertegenwoordiger van de E.E.P. vroeg de directeur van het Gezelschap in de komende Plenaire Vergadering een stemming te organiseren om bijv. de functie van uitwisselingen te kunnen definiëren en een duidelijk antwoord te geven op de vele kritische bedenkingen vanuit het Gezelschap op de E.E.P. Bij deze stemming wenste een duidelijke meerderheid van ongeveer 65 % niet langer lid van de E.E.P. te blijven. Hubert Van Hoorde verliet toen de zaal. Sommigen, die zowel van het Gezelschap als van de N.L.S. lid waren, werden gedwongen te kiezen. Anderen mochten rustig hun lidmaatschap van de N.L.S. en van het Gezelschap behouden.

Zo stilaan naderen we 2020, waarin het Gezelschap voor Psychoanalyse en Psychotherapie 30 jaar zal bestaan. Ik hoop dat degenen die dan aan het roer van het schip staan zich zullen verenigen om die 30 jaar  dapper werken en zwoegen passend te vieren.

*

Deze “prehistorie” werd gewoon uit de losse pols geschreven, zonder opzoekwerk. Ik dank Pat Jacops hartelijk voor zijn verrijkende aanvullingen op mijn “aanlooptekst”. Ik hoop dat deze bij andere “oude” leden hun geheugen aan het  werk zet, en ze met hun eigen herinneringen deze prehistorie verder komen uitwerken.

 

            Huguette Raes  

            Plenaire Vergadering  Gezelschap

            6 oktober 2019